In deze paragraaf leggen we uit hoe de gemeente haar financieringsfunctie uitvoert. Dit betekent dat de gemeente zorgt dat er genoeg geld beschikbaar is om op tijd aan alle financiële verplichtingen te voldoen. Om dit te bereiken, sluit de gemeente soms leningen af. Dit kunnen leningen zijn voor korte of lange tijd.
De financieringsfunctie gaat niet alleen over het lenen van geld. Het gaat ook over het uitlenen van geld aan anderen, het geven van garanties en het voorkomen en beheersen van financiële risico’s.
Op deze manier zorgt de gemeente ervoor dat ze veilig en verantwoord met geld omgaat.
Wet- en regelgeving
De gemeente moet zich bij het financieren van haar uitgaven houden aan wettelijke regels. Deze regels staan in de volgende wetten:
- Wet financiering decentrale overheden (Wet fido);
- Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet hof);
- Gemeentewet.
In de Wet fido staan de regels voor het financiële beleid van gemeenten en andere lagere overheden. Een belangrijk uitgangspunt is dat gemeenten zorgvuldig omgaan met publieke middelen. Het beheersen van financiële risico’s is hierbij van groot belang.
De gemeente beperkt renterisico’s door het toepassen van de kasgeldlimiet (voor kortlopende leningen, zie 3.2.4) en de renterisiconorm (voor langlopende leningen, zie 3.2.4). Als de gemeente tijdelijk geld over heeft, gelden er eisen voor hoe we dat geld moeten beheren. Dit heet treasury.
Daarnaast mag de gemeente alleen leningen verstrekken of garanties geven als dit past bij een publieke taak. Overige geldmiddelen die niet direct nodig zijn, moeten verplicht worden ondergebracht bij de Rijksschatkist. Dit heet schatkistbankieren.
In de Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet hof) zijn Europese regels opgenomen over de maximale hoogte van de overheidsschuld. Deze regels gelden ook voor gemeenten. De totale schulden en tekorten van gemeenten tellen mee in de Nederlandse overheidsschuld. Daarom is voor alle gemeenten samen afgesproken hoe hoog deze schulden en tekorten mogen zijn. Dit noemen we het gezamenlijk EMU-tekortplafond.
Beleid
De treasuryfunctie van de gemeente zorgt voor een goed evenwicht tussen de rentelasten (rente die we betalen) en de rentebaten (rente die we ontvangen). Daarbij houden we rekening met de financiële risico’s. De regels voor treasury zijn vastgelegd in de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido). Voor de gemeente Scherpenzeel is het beleid hierover opgenomen in het treasurystatuut. Dit statuut is in 2023 herzien en vastgesteld door de gemeenteraad.
De gemeente rekent geen rente over het eigen vermogen en over de voorzieningen. Deze rente wordt dus ook niet doorberekend aan de verschillende taakvelden.
Leningenportefeuille
Het verloop van de leningenportefeuille in 2025 ziet er als volgt uit:
bedragen x 1.000 | ||||||||
Opgenomen leningen | Jaar van opname | Looptijd | Rente-percentage | Boekwaarde 1 januari | Opname | Aflossing | Boekwaarde 31 december | Rentelast |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
BNG 40.115733 | 2022 | 10 jaar | 1,50% | 4.000 | -500 | 3.500 | 55 | |
BNG 40.116837 | 2023 | 2,5 jaar | 3,425% | 6.000 | 6.000 | 206 | ||
BNG 40.116995 | 2024 | 5 jaar | 2,84% | 550 | 550 | 16 | ||
BNG 40.117878 | 2024 | 5 jaar | 2,59% | 5.000 | -1.000 | 4.000 | 130 | |
2025 | 15.550 | 0 | -1.500 | 14.050 | 407 | |||
. | ||||||||
Renteschema
In de notitie Rente 2017 van de commissie BBV staan richtlijnen over hoe gemeenten rentelasten (betaalde rente) en rentebaten (ontvangen rente) moeten verwerken in de begroting en de jaarstukken. Het doel van deze notitie is om ervoor te zorgen dat alle gemeenten dit op een duidelijke en gelijke manier doen. Zo worden de cijfers beter vergelijkbaar en transparanter. Onderstaand schema laat zien:
- welke rentelasten de gemeente heeft;
- wat het renteresultaat is;
- hoe de rente wordt toegerekend aan de grondexploitaties.
Renteschema | Rekening 2025 | ||
a. | De externe rentelasten over de korte en lange financiering | +/+ | 423.970 |
|---|---|---|---|
b. | De externe rentebaten over de korte en lange financiering | -/- | -26.094 |
Saldo rentelasten en rentebaten | 397.876 | ||
c1. | Doorberekende rente aan de grondexploitatie | -/- | -205.500 |
c2. | Doorberekende rente van projectfinanciering aan taakvelden | -/- | 0 |
c3. | De rentebaat van doorverstrekte leningen | +/+ | 15.620 |
Totaal aan taakvelden toe te rekenen externe rente | -189.880 | ||
d1. | Rente over eigen vermogen | +/+ | 0 |
d2. | Rente over voorzieningen | +/+ | 0 |
e. | De werkelijk aan taakvelden toegerekende rente (renteomslag) | -/- | 0 |
f. Renteresultaat op het taakveld Treasury | 207.996 | ||
Kasgeldlimiet en renterisico
Kortlopende financiering: kasgeldlimiet
De kasgeldlimiet is een regel die voorkomt dat de gemeente te veel renterisico loopt bij kortlopende leningen. Vooral bij leningen met een looptijd van minder dan een jaar kan het risico op rentestijging groot zijn. Als de rente stijgt, kunnen de rentelasten snel toenemen.
De gemeente mag daarom niet meer dan 8,5% van de totale begroting lenen via kortlopende leningen. Dit is een wettelijke grens, vastgelegd in de Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden. Bij deze grens tellen mee:
- het rood staan op de rekening-courant bij de BNG Bank;
- de kasgeldleningen (leningen korter dan 1 jaar).
Voor 2025 mocht de gemeente maximaal € 3.059.000 aan kortlopende leningen hebben. Op dit moment heeft de gemeente geen kasgeldleningen lopen.
Bedragen x € 1.000 | |||
Liquiditeitspositie t.o.v. kasgeldlimiet | Begr. 2025 na wijziging | Rekening 2025 | Rekening 2024 |
Netto vlottende schuld | |||
Vlottende schulden | 3.123 | 2.032 | 3.123 |
Vlottende middelen | 2.890 | 6.706 | 4.728 |
Netto vlottende schuld (+) of overschot middelen (-) | 233 | -4.675 | -1.605 |
Toegestane kasgeldlimiet | |||
Begrotingstotaal | 35.987 | 35.987 | 29.291 |
Kasgeldlimiet (in % van de grondslag) | 8,5% | 8,5% | 8,5% |
Minimum bedrag | 300 | 300 | 300 |
Toegestane kasgeldlimiet | 3.059 | 3.059 | 2.490 |
Toets kasgeldlimiet | |||
Ruimte onder kasgeldlimiet | 2.826 | 7.734 | 4.095 |
Overschrijding van de kasgeldlimiet | |||
Langlopende financiering: renterisicobeheersing
De renterisiconorm helpt voorkomen dat de gemeente elk jaar met grote veranderingen in de rentelasten te maken krijgt. Deze norm is vastgelegd in de Wet financiering decentrale overheden.
De regel is dat de gemeente per jaar niet meer dan 20% van het totale begrotingsbedrag aan risico mag lopen door het aflossen van leningen, en het wijzigen van rente, bijvoorbeeld als een rentevastperiode afloopt.
Voor het jaar 2025 is de renterisiconorm voor de gemeente vastgesteld op € 7.197.000.
Drempelbedrag
In principe dienen alle overtollige middelen in de schatkist te worden aangehouden. Er zijn echter een aantal uitzonderingen. Eén daarvan is het drempelbedrag. Dat is een minimumbedrag (afhankelijk van de omvang van de decentrale overheid) dat gemiddeld per kwartaal buiten de schatkist mag worden gehouden. Voor 2025 geldt voor ons een drempelbedrag van € 1.000.000.
Berekening benutting drempelbedrag schatkistbankieren
Het drempelbedrag is bedoeld om het dagelijkse kasbeheer te vereenvoudigen: niet elke laatste euro hoeft in de schatkist te worden aangehouden. In principe hoeven dus alleen de liquide middelen die boven het drempelbedrag uitgaan in de schatkist te worden aangehouden. In 2025 hebben geen overschrijdingen plaatsgevonden van het drempelbedrag. In onderstaande tabel is te zien wat de benutting van het drempelbedrag schatkistbankieren gedurende de vier kwartalen 2024 is geweest:
Berekening benutting drempelbedrag schatkistbankieren (bedragen x € 1000) | |||||
Verslagjaar 2025 | |||||
(1) | Drempelbedrag | 1.000 | |||
|---|---|---|---|---|---|
Kwartaal 1 | Kwartaal 2 | Kwartaal 3 | Kwartaal 4 | ||
(2) | Kwartaalcijfer op dagbasis buiten 's Rijks schatkist aangehouden middelen | 116 | 74 | 36 | 116 |
(3a) = (1) > (2) | Ruimte onder het drempelbedrag | 884 | 926 | 964 | 884 |
(3b) = (2) > (1) | Overschrijding van het drempelbedrag | - | - | - | - |
(1) Berekening drempelbedrag | |||||
Verslagjaar 2025 | |||||
(4a) | Begrotingstotaal verslagjaar | 41.123 | |||
(4b) | Het deel van het begrotingstotaal dat kleiner of gelijk is aan € 500 miljoen | 41.123 | |||
(4c) | Het deel van het begrotingstotaal dat de € 500 miljoen te boven gaat | ||||
(1)=(4b)*0,02 +(4c)* 0,002 met een minimum van € 1.000.000 | Drempelbedrag | 1.000 | |||
(2) Berekening kwartaalcijfer op dagbasis buiten 's Rijks schatkist aangehouden middelen | |||||
Kwartaal 1 | Kwartaal 2 | Kwartaal 3 | Kwartaal 4 | ||
(5a) | Som van de per dag buiten 's Rijks schatkist aangehouden middelen (negatieve bedragen tellen als nihil) | 10.480 | 6.751 | 3.269 | 10.643 |
(5b) | Dagen in het kwartaal | 90 | 91 | 92 | 92 |
(2) = (5a) / (5b) | Kwartaalcijfer op dagbasis buiten 's Rijks schatkist aangehouden middelen | 116 | 74 | 36 | 116 |
EMU-Saldo
Het EMU-saldo geeft het verschil aan tussen alle inkomsten en uitgaven van de overheid in één jaar. Dit saldo wordt berekend volgens de regels van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Deze regels zijn vastgelegd in het Verdrag van Maastricht uit 1992.
Het EMU-saldo geldt voor het hele land, dus voor de Rijksoverheid én voor de decentrale overheden, zoals provincies, gemeenten en waterschappen. Volgens de Europese regels mag het tekort van een land niet hoger zijn dan 3% van het bruto binnenlands product (bbp) . Op die manier wil men zorgen voor sterke en stabiele overheidsfinanciën binnen de Europese Unie.
Hoewel het EMU-saldo vooral op landelijk niveau wordt gebruikt, moeten gemeenten volgens het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) ook een raming van het EMU-saldo opnemen in hun begroting en jaarstukken.
EMU-saldo is geen sturingsmiddel voor gemeenten
Voor gemeenten is het EMU-saldo geen sturingsmiddel. Dit komt doordat het EMU-saldo wordt berekend op basis van het kasstelsel: er wordt gekeken naar geldstromen die daadwerkelijk in een bepaald jaar binnenkomen of uitgaan. Gemeenten werken echter met het baten-lastenstelsel. Hierbij tellen de inkomsten en uitgaven mee die horen bij dat jaar, ook als het geld op een ander moment wordt ontvangen of betaald.
Hierdoor kan het voorkomen dat een sluitende begroting toch leidt tot een negatief EMU-saldo. Dit verschil ontstaat bijvoorbeeld als de gemeente investeert en deze uitgaven dekt uit reserves. In het baten-lastenstelsel telt dit niet als tekort, maar in het EMU-saldo wel.
Conclusie
De gemeente geeft het EMU-saldo verplicht weer in de jaarstukken. Het is echter belangrijk om te benadrukken dat dit cijfer niet bepalend is voor het financiële beleid van de gemeente. De sturing gebeurt op basis van een structureel sluitende begroting en meerjarenraming volgens het baten-lastenstelsel.
bedragen * € 1.000 | |||||
EMU-saldo | Begroting 2025 | Rekening 2025 | Rekening 2024 | ||
1. | (+) | Exploitatiesaldo vóór toevoeging aan c.q. onttrekking uit reserves (zie BBV, artikel 17c). | 281 | -1.224 | -1.567 |
2. | (-) | Mutatie (im)materiële vaste activa | 384 | 1.219 | 390 |
3. | (+) | Mutatie voorzieningen | 179 | 1.529 | 93 |
4. | (-) | Mutatie voorraden (incl. bouwgronden in exploitatie) | 1.261 | -4.314 | 1.061 |
5. | (-) | Verwachte boekwinst bij verkoop effecten en (im)materiële vaste activa | 0 | 0 | |
Berekend EMU-saldo | -1.186 | 3.400 | -2.925 | ||
bedragen * € 1.000 | |||||
EMU-saldo referentiewaarde | Begroting 2025 | Rekening 2025 | Rekening 2024 | ||
EMU-saldo volgens berekening | -1.186 | 3.400 | -2.925 | ||
EMU-saldo referentiewaarde | -975 | -975 | -975 | ||
EMU-saldo blijft onder referentiewaarde | 4.375 | ||||
EMU-saldo overschrijdt referentiewaarde | -211 | -1.950 | |||
